Epidemiologie van Clostridium difficile infecties in Belgiƫ: Rapport 2011
Viseur, N. ; Lambert, Marie-Laurence
Citations
Abstract
De jongste jaren is in verschillende landen een toename vastgesteld van de incidentie, de ernst en de sterfte
; tengevolge van Clostridium difficile-infecties (CDI). Het opduiken van een hypervirulente stam, PCR ribotype
; 027, kan hiertoe hebben bijgedragen. Hoewel in sommige landen, waaronder Duitsland, reeds meerdere
; jaren vóór het opduiken van deze stam een toename van de incidentie werd beschreven. Recente publicaties
; suggereren dat de frequentie en de ernst van de gevallen van Clostridium difficile diarree ook zijn toegenomen
; in de gemeenschap. Dit zowel in populaties met een hoog risico als in populaties waarvan voorheen werd
; uitgegaan dat zij een laag infectierisico liepen, en bij kinderen.
; Dit rapport vormt een synthese van de beschikbare gegevens voor de epidemiologie van CDI in Belgiƫ.
; De geanalyseerde gegevens zijn de gegevens van de nationale surveillance van CDI in de Belgische
; ziekenhuizen van 2007 tot 2010, de gegevens van de ziekenhuisverblijven van 1999 tot 2008 en de gegevens
; van het overlijdensregisters van 1998 tot 2008.
; Deze verschillende bronnen bevestigen een aanzienlijke toename van de incidentie van CDI en de sterfte
; tengevolge CDI tijdens het laatste decennium. Er is wel een stabilisatie van de incidentie (en zelfs een lichte
; daling in 2010), en een daling van de sterfte, voor de laatste jaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn. De
; evolutie van de incidentie van nosocomiale gevallen (aanvang van de symptomen meer dan 2 dagen na de
; opname in het meldende ziekenhuis) is parallel aan de evolutie van de niet-nosocomiale gevallen (waarvan
; de meerderheid afkomstig is uit de gemeenschap).
; De evolutie van de incidentie van CDI en de sterfte tengevolge CDI in ons land volgt de trends
; waargenomen in andere landen. De incidentie in Belgiƫ is vergelijkbaar met de incidentie gerapporteerd in
; Frankrijk en Nederland.
; De grote variatie van de incidentie tussen de ziekenhuizen suggereert dat een belangrijk aandeel van deze
; infecties, hoewel moeilijk kwantificeerbaar, te vermijden is door een betere preventie.
; De incidentie van CDI varieert naargelang het seizoen, met een piek in maart/april. De niet-nosocomiale
; gevallen volgen dezelfde seizoensgebonden evolutie als de nosocomiale gevallen.
; Van alle patiƫnten met CDI bedroeg de mediane leeftijd 78 jaar, de vrouwen waren meer vertegenwoordigd
; (59%) en ouder. De nosocomiale gevallen van CDI vertegenwoordigden 63,3% van de gevallen. Het
; percentage nosocomiale recurrente opstoten bedraagt 8% (14% niet-nosocomiaal). De helft van de
; nosocomiale CDI-gevallen duikt meer dan twee weken na de opname op. Veertien procent van de
; patiƫnten opgenomen in het ziekenhuis voor een diarree met Clostridium difficile heeft de symptomen zien
; optreden in een rust- en verzorgingstehuis. Pseudomembraneuze colitis als complicatie van CDI, komt
; voor in 2% van de nosocomiale gevallen (6% van de niet-nosocomiale gevallen). In 0,5% van de
; nosocomiale gevallen kan de doodsoorzaak van de patiƫnt worden toegeschreven aan de CDI (vs. 1,3% van
; de niet-nosocomiale gevallen).
; De deelname van ziekenhuizen aan de epidemiologische surveillance is zeer hoog. Hoewel de deelname aan
; het microbiologische deel veeleer zwak is, lijkt het percentage ziekenhuizen met de stam ribotype 027 in
; 2010 niettemin te dalen.
; Tot besluit: de incidentie van de CDI heeft zich sinds 2007 op een hoog niveau gestabiliseerd, maar de
; sterfte toegeschreven aan CDI is gedaald.
